|
Deel III 6 juni 2000, Hotelkamertje in Mbale, oost Uganda. Met wat hulp van een olielamp, het is 'powersharing' avond, is dit een uitstekende plek om weer even wat dingen van de afgelopen dagen op papier te zetten. Vanaf de schrijftafel in de eigenlijk hele ruime kamer hoor ik wat gezemel van een of ander moskeetje op de achtergrond. Ik heb bij de kroeg op de hoek van de kompleet donkere straat een biertje gehaald, dus het schrijfgerei is compleet. Het is alweer ruim een week geleden dat ik de Hollanders gedag heb gezegd. Vanuit Kabale in het uiterste zuidwesten van Uganda heb ik besloten om langs de westkant naar het noorden te gaan, omdat deze weg een aantal National Parks doorkruist. Dit betekent om 5 uur op de bus stappen, om de eerste uren met wat kotstende mensen om je heen door te brengen. Dit wordt echter beloond met een zonsopgang die je al rijdend door de prachtige en steeds veranderende omgeving mag aanschouwen. Het is eigenlijk helemaal niet nodig om van die dure Gamedrives te maken, want deze bus rijdt nonchalant door terrein waar olifanten, bavianen en allerlei antilopen vrij baan maken voor het ijzeren gevaarte waar wij ons in bevinden. Bij Fort Portal houdt de busrit op en zal ik verder moeten gaan in een matatu. Mijn eerste onderhandeling is geen succes. Niet echt wetende dat ze hier redelijk netjes met vaste prijzen werken hou ik net zolang vol tot de berijder lachend weg rijdt. De volgende matatu staat helemaal leeg en de komende uren kan ik lekker gaan zitten wachten tot er genoeg mensen in zitten om me voor dezelfde vaste prijs richting het Murchison Falls national park te begeven. En hier begint de lol. Al bij het vertrek van de matatu merk ik dat de zogeheten conducteur, zeg maar de bijrijder die alles regelt, zijn naam graag in het Guiness Book of Records wil krijgen. Het busje, waar wij in Nederland met tegenspartelen met zijn achten in zouden willen zitten en hier in Uganda officieel 14 man mag vervoeren, wordt volgestouwd met 19 man en flink wat bagage.. Maarja, daar haalt ie het natuurlijk niet mee. Onderweg stoppen we nog regelmatig om wat extra mensen bij te laden. Al snel hebben we 24 man en vrouw in zo een klein japans minibusje gevouwen. Ik zit samen met 4 anderen op het achterste bankje en kan eigenlijk de lol er wel van inzien. Helaas, de chauffeur denkt:'hij in het records book, ik ook in het records book', en gaat de vermelding proberen te verfraaien tot:'record negers vouwen in minibus, inclusief snelheidsrecord zandweg rijden'. Onze sturende vriend, die duidelijk ralley-allures heeft, begint mijn pret te drukken. Gelukkig komt er een stevige tropische regenbui opzetten, die de weg door het heuvelige terrein verandert in een modderpad. Nu zal hij wel rustiger gaan rijden denk ik nog even.. wrong!! De snelheid die hij heuvel af oppikt om soepel de volgende heuvel op te kunnen is angstaanjagend. Van Schuppen zou waarschijnlijk al watertandend op de bijrijdersstoel gaan zitten, ik moet toch even twee keer slikken. Wetende dat als onze donkere Schumacher het ding de soep in rijdt het met ons allen gedaan is en ik daar niks aan kan veranderen, besluit ik er maar van te genieten als een soort rollercoaster passagier. Als het al donker is komen we heelhuids in Hoima aan. Het is mij dus niet gelukt in Masindi, op de grens van het Murchinson National Park te komen en ik zal dus hier moeten overnachten. Het plaatsje, wat in de Lonely Planet niet eens voorkomt, kent een paar hotelletjes waar enkel localen op doorreis verblijven. Dit is eigenlijk voor het eerst dat ik de hele avond de enige aanwezige blanke ben. Iets eten kost hier geen drol, en voor FL 1,50 werk ik een avondmaal weg. Hierna besluit ik me maar eens met het poolen te gaan bemoeien. Ze hebben hetzelfde ladderprincipe wat wij ook kennen, winnaar blijft staan en nieuwe speler betaalt het nieuwe potje. Hoewel ik mezelf onderaan de lijst van spelers heb gezet staan de localen erop dat ik het volgende potje al inspring. Elke stoot die ik maak wordt van luidkeels commentaar en gelach voorzien, zij vinden het al net zo mooi als ik het vind. De een na de ander wil het tegen me opnemen en de grappen en grollen worden steeds meer hilarius. Hoewel oppervlakkig, is dit een hele leuke manier om in contact te komen met de localen en mee te doen met de dingen die zij leuk vinden. De hele avond kost me, inclusief eten en bier, FL 4,50. Daar mag je tegenwoordig in Amsterdam net je jas voor ophangen. De volgende dag vroeg richting Masindi. Vanuit hier naar het park gaat geen openbaar vervoer en ik moet dus wachten op een lift van het parkbeheer. Een engelse ex-pat, waarmee ik aan de praat raak tijdens zijn lunch, vertelt me over hoe het in een uithoek als deze er aan toe gaat. Hijzelf werkt in de wegenbouw, maar het klinkt alsof voorlopig het meerendeel van zijn tijd op zal gaan aan het in ere herstellen van de golfbaan, zodat het handjevol ex-pats weer een balletje kan slaan.Opeens wijst hij een politieagent met motorhelm aan. Deze agent, die net achterop een fietstaxi stapt, is toegewezen motoragent maar heeft helaas geen motor. Om toch te laten zien dat hij de motoragent is draagt ie de hele dag zijn helm... ik dacht maar 1 ding:"geef die vent een das!". Wat een held. Al wachtend bij het kantoor van parkbeheer komt een klein aapje, die hier blijkbaar rondhangt, even kijken wat er te halen is. Vreemd genoeg zijn de lokale kinderen doodsbang voor de beestjes. Dit beessie is echter aardig gewend aan mensen en een stukje koek doet wonderen.. al snel kruipt ie langs mijn arm omhoog en komt op mijn been zitten. Het vlooien mag beginnen, eerst ik hem en daarna doet hij zijn best om tussen mijn beenharen ongedierte te bespeuren. Het enigzins vertederende moment wordt abrubt onderbroken door de aankomende pickup die richting het park zal gaan. Met nog wat jeuk her en der gooi ik mijn spullen en mezelf in de achterbak. Murchison Falls National park is het grootste in Uganda, met een zeer afwisselend landschap en een aantal rivieren die onder andere de oorsprong van de Nijl vormen. Helaas is ook hier in de slechtere tijden bijna al het Wildlife afgeslacht. Er wordt nu hard aan gewerkt om het balans te herstellen en waar nodig weer dieren te introduceren vanuit andere parken. Midden in het park ligt een dorpje, Paraa. De behuizing bestaat uit enkel rieten hutjes en de pickup waarop ik meelift heeft wat goederen uit Masindi meegenomen voor de dorpbewoners. De campgrounds liggen hier niet ver vandaan. Voor dag 1 zet ik een boottrip op de agenda. Een Engels gezin, die ik al eerder tegen was gekomen, gaat ook mee. De trip gaat langs de Albert Nile richting de Falls en onderweg spotten we menig krokodil, giraffe, visarend, buffel en andere grazers. Nijlpaarden zijn er natuurlijk te over, het is tenslotte een van de bronnen van de Nijl. De trip leidt ons naar de onderkant van de Falls, welke een mengeling is van een wilde rivier en een waterval. 7000 kubieke meter water wordt hier elke seconden door een gleuf van 7 meter breed geperst. Geweld, simpelweg bruut geweld en prachtig om te zien en horen. Ooh ja, het volgende had ik de kawanaki's nog niet verteld. Maar op een dag liep ik wat rond door Rwanda en werd ik plotseling belaagd door een stel wilde olifanten, neushoorns, leeuwen en dronken rebellen. Stuk voor stuk wilden ze mijn verrekijker hebben, die ik vlak voor vertrek van de Kawa's cadeau heb gehad. Met 1 hand heb ik ze allemaal van me af geslagen, echter bij het achtervolgen ben ik toch even gestruikeld en is de verrekijker verdwenen in het lange gras. Hoewel van korte duur heb ik er veel plezier van gehad! Nou hadden de britse jongens op de boottrip een vergelijkbaar maar versleten kijkertje als reserve, en voor twee schitterende Telfort horloges (ik had er een paar meegenomen om ministers of generaals mee om te kunnen kopen) heb ik een goede ruil weten te doen.. call me bad? wat jij wil, maar jongens, ik ben in ieder geval weer voorzien. Tot nu toe ben ik, alleen reizend, nog nauwelijks alleen geweest. En ik heb nog geen afscheid genomen van het Engelse gezin of twee Australische zussen parkeren hun gehuurde 4wd bij de camp site. De een is op bezoek bij haar zus, wie op haar beurt een journalist in Kampala is en onder andere voor een Ugandese krant werkt. Ze lijken het te waarderen dat ze met iemand anders kunnen praten dan elkaar en na een avondje babbelen nodigen ze me uit om mee te gaan voor een Game Drive de volgende ochtend. Ik had dit eigenlijk al op mijn buik geschreven omdat ik geen vervoer heb en maak dus dankbaar gebruik van hun aanbod. Als de zussen reeds naar hun banda zijn praat ik nog wat verder met John, een local die zo blijkt in Rusland gestudeerd heeft en heel wat van de wereld gezien heeft. Iets wat zeldzaam is, veel van de mensen die ik gesproken heb wijzen naar de boomgrens aan de rand van het dorp als je vraagt of ze wel eens reizen, verder dan dat komen ze niet. Met John gaat de discussie al snel over vrouwen, mede omdat de lokalen al vrij snel vragen of je getrouwd bent, alsof ze willen weten of ze hun zus nog aan je kunnen slijten. De uitleg dat ik een vriendin heb maar dat je in Nederland niet perse direct trouwt leidt tot een discussie over commitment. Al snel leer ik dat de man hier in de regel meedere vrouwen heeft en ook kinderen bij elk van de vrouwen. Daarnaast is er ook nog de nodige scharrel, bij elkaar een zeer efficient model om de verspreiding van Aids een beetje op gang te helpen. Ik besef me dat ik altijd dacht dat het geboortebeperkingsprobleem om de hoeveelheid kinderen in een gezin betrof, het probleem is echter een factor erger. Anyway, na een mugrijke nacht is het tijd voor de game drive. Om niet wederom te verhalen over de niet al te talrijke olifanten, antilopen, bavianen zal ik me voor deze drive beperken tot de Wart Hogs. Ik denk dat ze bij ons wilde zwijnen heten en anders zijn het hele naaste broertjes, maar het mooie van deze beesten is dat als ze rondrennen ze hun staarten fier omhoog houden als een soort antennes. Dit samen met de lange nekmanen die in de wind wapperen, vergelijkbaar met een goeie duitse mat gezien in een foute cabrio en de korte slachttanden met snor maken het geheel tot een soort Mad Max tafereel. Een lachwekkend stukje wildlife maar met een snelheid dat je inderdaad een wonderdrankje nodig hebt om ze te vangen. Des middags wensen de zussen bij het luxe Savoye Hotel te lunchen en even een duik te nemen. Dit hotel is een tegenstrijdig stukje luxe midden in het national park. Paula, de journalist, besluit gelijk maar een interview met de manager te doen (volgens mij om onder de kosten uit te komen, wat helaas niet lukt) waardoor de lunch uitloopt tot een uur of zes. Als een rechtoplopende kreeft verlaat ik het prettige landgoed. 's Avonds even mijn verbrande lichaamsdelen afkoelen onder de douche. De campsite heeft verlicht 'sanitair', wat betekent dat als je na zonsondergang deze betreedt je rechtstreeks in de videoclip 'Life's what you make it' van Talk Talk loopt. Insecten van soort en grootte zoals ik ze zelfs in horrorfilms nog niet gezien heb vormen mijn vermaak tijdens het tandenpoetsen. Gewoon niet bij nadenken. De volgende dag wacht ik op een lift die ik op de eerste dag geregeld had van een zuidafrikaan die hier mobiele masten bouwt. Echter als deze tijdens het middaguur nog niet verschenen is en de zussen weer terug zijn van hun boottrip biets ik een lift bij hun naar Kampala.
In Kampala aangekomen is het mijn doel om te kijken of ik wat vrijwilligerswerk kan doen bij een van de Wildlife organisaties, met als hot tip het Chimpanzee wezeneiland 'Ngamba' in Lake Victoria. Echter eerst de zondag doorkomen. Overdag loop ik wat door de stad, een redelijk levende stad met her en der tekenen van armoede zoals het verlaten station. In Uganda rijden, integenstelling tot wat er in de Lonely Planet staat, geen treinen meer. Op de hoofdstraat zie ik een groot aantal mensen in en uit een groot gebouw lopen en ik besluit een kijkje te nemen. Het blijkt een kerk te zijn met een tafereel zoals je zou verwachten in Afrika. Een koor van circa dertig vrouwen en een paar man zet de gehele kerk in beweging terwijl iemand met een overhead projector de songteksten van de gospels op een geschilderde muur projecteert. Dit swingt als een dolle en met veel plezier aanschouw ik het geheel. Bij de backpackers kan ik eindelijk mijn mail ophalen en het meest recente mailtje vertelt dat enkele uren geleden mijn nichtje Sanna is bevallen van Nicky. Dit zijn de betere berichten en mijn dag wordt er alleen nog maar mooier op. Ook aanwezig op de backpackers is een Noorse fotograaf, Terje, die met zijn gigantische truck met http://www.yellowkat.com op de zijkant door heel Afrika reist. De verhalen over zijn belevenissen zijn aangrijpend, echter na veel gelul over hemzelf besluit ik met een goede smoes de truck te verlaten. 's Avonds nodigen Paula en twee engelse meiden me uit om mee te gaan eten, en omdat Terje inmiddels weer naast me is komen zitten vragen ze hem ook mee. Als ik terloops aan Paula vertel dat ik in zijn truck ben geweest vertelt ze me dat hij dat nog niet eerder heeft toegstaan. Langzaam wordt mij duidelijk dat Terje's interesse in mij niet algemeen is. Helaas Terje, geen hollandse garnaal voor jou. De volgende dag reis ik naar Entebbe alwaar het kantoor van de Uganda Wildlife Education Centre is. Zonder afspraak klop ik aan en een paar uur later is de deal rond. In ruil voor housing, eten en veel tijd met de chimps en hun begeleiders ga ik in de komende weken een website voor ze opzetten. Iets wat ze al een tijd willen. Ik kan volgende week beginnen en besluit voor de tussenliggende periode Mount Elgon te beklimmen. Deze uitgestorven vulkaan met de grootste krater ter wereld (8km diameter) ligt op de grens van Uganda en Kenia en de round trip is een goede vijf dagen trekken. Vandaag ben ik afgereisd naar Mbale en morgen gaat de klim van start. 9 juni, Mumbe camp, Mount Elgon
De tocht begon eergisteren bij het Visitors Centre in Budadiri. Naast Timothy, de gids krijg ik ook een 'porter', zeg maar koelie mee genaamd Bernard, die mijn rugzak inclusief de gehuurde tent draagt. Het mooie van Mount Elgon is dat er dus niet 100 man per dag omhoog gaan maar ik vandaag de enige ben. Omdat we pas laat zijn vertrokken en het weer wat tegen zit besluiten we niet naar het eerste kamp te gaan maar in het laatste dorp aan de voet van de berg te blijven, tevens het thuisfront van Tim en Ben. Ik mag mijn tent opzetten in de tuin van de vader van Tim en de avond brengen we door in de kern van dit bergdorpje. De jongens vragen me het hemd van mijn lijf over Nederland, en op mijn beurt test ik bij deze jongens hoe zij denken over het referendum wat eerdaags zal plaatsvinden in Uganda. Het volk gaat hun stem uitbrengen of Uganda een 1-partij parlement moet behouden of naar een meerpartij stelsel moet. Als ik het zo hoor is er geen twijfel aan, de mensen hier zijn sterk tegen een meerpartij stelses, omdat dat alleen maar ten koste van de politieke stabiliteit en dus ook de progressie kan gaan. Een zeer plausibel argument als je naar de geschiedenis van Uganda en omringende landen kijkt. Terwijl we zo wat zitten te praten op een bankje bij een van de hutjes gebeurt er van alles om ons heen. De meeste volwassen dorpbewoners zitten in verschillende open hutjes in een kring. Op de grond staat een metalen pot bananebier waar iedereen uit drinkt met een eigen rietje van ongeveer anderhalve meter. De lengte dient ervoor om het troep achterwege te laten. Dat je er dronken van wordt blijkt wel, want het duurt niet lang voor ik getuige ben van de eerste opstootjes. Het ritme hier is werken van 's morgens vroeg tot een paar iir voor zonsondergang, dan met zijn allen aan het bananebier of het nog sterkere spul (ook van bananen) een paar rondjes knokken, naar huis om te eten en slapen en de volgende dag weer in. Mijn volgende dag begint met het betere klimwerk. Met de zon op de bol voelt het begin zwaar aan en als er vervolgens wat oude vrouwtjes met stapels hout op de rug de berg af komen zetten voel je je echt als een slappe lul. Alles went. Tim en Ben zorgen voor lunch en diner en maken daarbij gebruik van zowel wat ingekocht voedsel als plaatselijke 'resources'. Zo worden de wortelen van de aanwezige bamboe gebruikt om samen met een brei van pinda's een heerlijke maal te maken. Op deze eerste dag lopen we direct door naar kamp twee, zodat we de volgende dag gelijk doorkunnen naar de top. De nacht is koud en van slapen komt weinig, dit is een van de vele momenten waarop ik mij afvraag of het toch niet beter was geweest om Pasje in mijn rugzak te verstoppen.. met die gedachte dommel ik weer in, beseffende dat de helft van mijn reis er bijna op zit. De volgende ochtend blijft Ben met de spullen in het kamp en Tim en ik vertrekken naar de top. Ik merk dat de stilte en de eenzaamheid van het wandelen je hersenen alle ruimte geven om eens flink in de rondte te denken. Terwijl er van alles door je heen gaat en je continu in dialoog met jezelf bent probeer je ook nog het een en ander van de omgeving op te pikken. En dan, na een goede vijf uur klimmen, sta je op de top. Het mooiste van deze tocht is dat je al die tijd geen mens bent tegengekomen en er in de verste verte geen teken van leven te bekennen is. Eenmaal op de top ga ik even liggen en doe mijn ogen dicht, het geluid van enkel de wind doet me half in slaap sukkelen. Als ik mijn ogen weer open doe zie ik boven me een drietal gieren in een soort van strijd of spel verwikkeld met een hoge graad van acrobatiek. Tim ligt even verderop te pitten waardoor ik het gevoel krijg echt even helemaal alleen op de top te zijn, Remi op Moint Elgon. Prachtig. Als we na wat gegeten te hebben weer afdalen zit spirit er goed in. Tim leert mij wat liedjes in de lokale taal over een grootvader die met honger wakker wordt en bananen gaat stelen en als straf om het leven gebracht wordt door zijn dorpgenoten. In ruil besluit ik Tim ook wat van de rijke Nederlandse cultuur mee te geven en na een kwartier galmt er over de rotsen:"ik heb een potje met vet, al op de tafel gezet". Eenmaal terug is er nog aardig wat daglicht over en besluit ik wat te gaan schrijven op deze rots. Inmiddels is mijn kont zo hard als steen en zijn er andere mensen aangekomen in het kamp. Ik ga maar es kijken. 11 juni 2000, Sipi Falls, Uganda Vanmiddag zijn we aan het eind gekomen van onze klim. De afgelopen twee dagen was enkel afdalen met als hoogtepunt een aantal tropische hagelbuien. Helaas heeft het park qua fauna weinig te bieden, op een enkele blauwaap en hamster na heb ik geen dier gezien. Plantenliefhebbers daarentegen kunnen hun lol hier op, zo is het zogenaamd zeldzame Edelweiss hier talrijker dan het borsthaar van vriend Rote. De mensen die eergisteren in het kamp aankwamen waren drie belgen die een dag eerder vertrokken waren en sindsdien hebben we samen gehiked. Na vijf dagen lopen wordt mijn spierpijn meervoudig overtroffen door de stank komende van elk mogelijk lichaamsdeel. Ik ben intens blij met de koude douche en geniet wederom vanaf een veranda van de sterren die boven Mount Elgon verschijnen. --- |
|
|